Antwoorden Kennisquiz (Thema: Chronische nierschade)

In dit artikel vind je de antwoorden op de Kennisquiz over Chronische nierschade. De vragen van de kennisquiz lees je hier.  

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

Antwoorden

1 Antwoord c is juist

Er is sprake van chronische nierschade bij een eGFR < 60 ml/min/1,73 m2. Dat kan worden vastgesteld als de patiënt minimaal 3 maanden een verlaagd eGFR en/of een verhoogd ACR heeft. Controle na 3 maanden is noodzakelijk om onder- of overschatting zoveel mogelijk uit te sluiten. Een onderschatting van de eGFR kan bij spierhypertrofie optreden. Bij meneer De Vries zou er sprake kunnen zijn van onderschatting (hoewel dat niet waarschijnlijk is, want zijn spierarbeid is niet veranderd.)

Chronische nierschade komt in Nederland voor bij ongeveer 12 procent van de bevolking (in de huisartsenpraktijk: 5,7 procent). Van alle patiënten met chronische nierschade heeft ongeveer de helft een verminderde nierfunctie en de andere helft verhoogde albuminurie.

2 Antwoord a is juist

Hoewel de diagnose chronische nierschade pas na 3 maanden kan worden gesteld, is het van belang om bij een afwijkende uitslag binnen een week opnieuw eGFR en ACR te laten onderzoeken om acute nierschade uit te sluiten. Bij patiënten met een eGFR tussen 45 en 60 ml/min/1,73 m2 en zonder andere tekenen van chronische nierschade, diabetes mellitus of hypertensie kan de arts een schatting van de nierfunctie op basis van cystatine C overwegen om de diagnose chronische nierschade met meer zekerheid te bevestigen of te verwerpen. Er is geen verhoogd risico op overlijden, hart- en vaatziekten en eindstadium nierfalen bij mensen met een normale eGFR, geschat op basis van cystatine C.

3 Antwoorden a, b en c zijn juist

Bij nierschade G3aA2 (oranje vak in de nierschadetabel) zijn leefstijladviezen, medicatiebewaking en behandelen van de bloeddruk en het cholesterol de aangewezen behandelopties. Ook griepvaccinatie wordt aanbevolen. Controle van eGFR en ACR moet tweemaal per jaar plaatsvinden. Verwijzing naar een nefroloog is niet nodig.

4 Antwoord d is juist

Een verminderde nierfunctie en albuminurie zijn onafhankelijke risicofactoren en voorspellers van cardiovasculaire en totale mortaliteit, en voor progressie van chronische nierschade en eindstadium nierfalen, gelijk aan die van een patiënt met diabetes mellitus. Van de algemene bevolking heeft ongeveer 9 procent chronische nierschade met een mild verhoogd risico, 2 procent met een matig verhoogd risico en minder dan 1 procent met een sterk verhoogd risico op hart- en vaatziekten en eindstadium nierfalen. Het streven is om het risico op deze complicaties te verkleinen door een gezonde leefstijl, de bloedruk te verlagen tot <130/80 mmHg en het LDL-cholesterol tot < 2,5 mmol/l.

5 Antwoord b is juist

Roken lijkt een onafhankelijke risicofactor voor ernstig verhoogde albuminurie en afname van de nierfunctie. Ex-rokers hebben dit verhoogde risico niet en dat wijst erop dat er een verband is tussen stoppen met roken en een verminderd risico op progressie van nierschade.

Sommige onderzoeken tonen een reductie van albuminurie bij zoutrestrictie. Het advies voor gematigde zoutinname past ook in het streven naar bloeddrukverlaging. Eiwitbeperking van 0,8 g/kg ideaal lichaamsgewicht per dag wordt geadviseerd bij een eGFR < 30 ml/min/1,73 m2. Patiënten met een eGFR ≥ 30 ml/min/1,73 m2 hebben daarvan geen voordeel, ook niet als zij verhoogde albuminurie hebben.